INHOUD

 

1        Inleidende regels   3

Artikel 1          begrippen . 3

Artikel 2          wijze van Meten . 5

2        Bestemmingsregels   7

Artikel 3          agrarisch met waarde . 7

3        Algemene regels   12

Artikel 4          anti-dubbeltelregel 12

Artikel 5          algemene bouwregels 12

Artikel 6          algemene gebruiksregels 12

Artikel 7          algemene aanduidingsregels 12

Artikel 8          algemene ontheffingsregels 12

4        Overgangs- en slotregels   14

Artikel 9          overgangsrecht 14

Artikel 10       slotregel 15


1           Inleidende regels

Artikel 1          begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.    plan: het bestemmingsplan �Parti�le herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 1997, Logtenburg 16a, Sint Oedenrode� van de gemeente Sint Oedenrode;

 

2.    aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

 

3.    aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

 

4.    achtererf: gedeelte van het erf dat aan de achterzijde van het hoofdgebouw is gelegen;

5.    Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (AAB): Commissie van deskundigen op het gebied van agrarische bedrijfsactiviteiten en agrarische ontwikkelingen die gemeenten adviseert over aanvragen op dit beleidsterrein. De commissie is ingesteld door de Stichting Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen te Tilburg die op haar beurt is opgericht door de Stichting Advisering Buitengebied te Tilburg;

 

6.    architectonische waarde: de aan een gebouw toegekende waarde gekenmerkt door de opbouw en/of indeling van de buitengevel, de dakopbouw en het materiaal en/of kleurgebruik eventueel in samenhang met de omgeving;

 

7.    bebouwing: ��n of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouw zijnde;

 

8.    beroepsmatig gebruik van een woning: het gebruik van (een gedeelte van) een woning en/of een daarbij behorend(e) aanbouw of bijgebouw voor het zelfstandig en onder eigen naam uitoefenen van een dienstverlenend beroep op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, lichaamsverzorgend, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied door een daarvoor specifiek opgeleid persoon;

 

9.  ��� bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak;

 

10.  bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

 

11.  bijgebouw: een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt  is aan het hoofdgebouw;

 

12.  bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

 

13.  bouwgrens: de grens van een bouwvlak;

 

14.  bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijn, zijn toegestaan;

 

15.  bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

 

16.  cultuurhistorische waarde: de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied;

 

17.  Duurzame locatie intensieve veehouderij: een bestaand agrarisch bouwvlak met een zodanige ligging dat het vanuit een milieuoogpunt (ammoniak, geurhinder, en dergelijke) als vanuit een ruimtelijke oogpunt (natuur, landschap en dergelijke) verantwoord is te laten groeien tot een bouwvlak van maximaal 2,5 ha voor een intensieve veehouderij, zoals deze opgenomen in de Handleiding duurzame locaties en duurzame projectlocaties voor intensieve veehouderij (2003); 

 

18.  erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

 

19.  gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

 

20.  gestapelde woning: een al dan niet uit meerdere bouwlagen bestaande woning, deel uitmakend van een gebouw waarin meerdere woningen zijn ondergebracht, zodanig dat deze boven dan wel beneden elkaar zijn gesitueerd, waarbij per woning een zelfstandige toegankelijkheid, al dan niet direct vanaf het afgewerkte maaiveld, gewaarborgd is;

 

21.  gevellijn: denkbeeldige dan wel op de (digitale) plankaart aangegeven lijn die strak langs de gevel van een gebouw loopt tot aan de perceelsgrenzen;

 

22.  Monument: een bouwwerk dat, geheel of gedeeltelijk, is aangemerkt als rijksmonument of als gemeentelijk monument;

 

23.  nutsvoorzieningen (voorzieningen ten behoeve van openbaar nut): voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, duikers, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, etc;

 

24.  perceelsgrens: de grens van een bouwperceel;

 

25.  voorgevel van een hoofdgebouw: het meest naar de wegzijde gekeerde deel van een hoofdgebouw;

 

26. water en waterhuishoudkundige doeleinden: Al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc;

 

27.  woning: een gebouw, dat dient voor de huisvesting van personen;

 

28.  zijerf: gedeelte van het erf dat aan de zijkant van het hoofdgebouw is gelegen;

Artikel 2          wijze van Meten

2.1       Algemeen

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

 

a.       afstand tot de zijdelingse/achterste perceelsgrens: 

de kortste afstand tussen de zijdelingse/achterste perceelsgrens(zen) van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk;

 

b.       bebouwde oppervlakte:

het gezamenlijk oppervlak op een bouwperceel van de gebouwen en van uitsluitend die bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die een overdekte ruimte vormen tenminste 1 meter boven peil. Het oppervlak van de laatstgenoemde bouwwerken wordt gemeten door middel van projectie en wel 1 meter boven peil;

 

c.       de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

 

d.       de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

 

e.       de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

 

f.        de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

 

g.       oppervlakte van gebouwen:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niweau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

 

h.       peil:

voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van dit weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met 0,20m.

in de andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein vermeerderd met 0,20m.

2.2       ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1m.


2           Bestemmingsregels

Artikel 3          agrarisch met waarde

3.1        Bestemmingsomschrijving

De op de plankaart voor �Agrarisch met Waarde� aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.    agrarische doeleinden, in de vorm van agrarische bodemexploitatie met bijbehorende voorzieningen;

b.    instandhouding van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden;

c.    water en waterhuishoudkundige doeleinden;

d.    extensief recreatief medegebruik;

e.    (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;

f.     de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, waarbij niet meer dan ��n agrarisch bedrijf aanwezig mag zijn;

g.    aan-huis-verbonden  beroepen of bedrijven;

h.    groenvoorzieningen.

3.2           Bouwregels

3.2.1       Algemeen

Voor het bouwen vam bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

a.    Per bouwvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan ��n agrarische bedrijf toegestaan;

b.    Gebouwen en overkappingen zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan;

c.    Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, met dien verstande dat:

1.    de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd niet minder mag bedragen dan 25 meter voor overige verharde wegen en spoorwegen.

2.    de afstand tussen gebouwen niet minder mag bedragen dan 5 m.

3.    de afstand van gebouwen tot de zijdelingse en achterste perceelgrenzen niet minder bedragen dan 5 m.

 

3.2.2       Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen;

a.    De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6m.

b.    De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 11 m.

 

3.2.3       bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:

a.    Per bouwvlak is ��n bedrijfswoning toegestaan.

b.    De inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m3.

c.     De goothoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 m.

d.    De nokhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m.

e.    De bedrijfswoning dient te zijn voorzien van een kap met een dakhelling van ten minste 12˚ en ten hoogste 60˚.

 

3.2.4       Bijgebouwen bij bedrijfswoning

Voor het bouwen van bijgebouwen bij bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:

a.    Bijgebouwen dienen op een afstand van ten minste 2 meter achter de voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd.

b.    De gezamenlijke oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m2.

c.     De goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.

d.    De nokhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m.

 

3.2.5       bouwwerken, geen gebouwen zijnde

voor het bouwen van bouwwerken, geen bebouwing zijnde gelden de volgende bepalingen:

a.    de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m, voor zover gelegen achter de voorgevel.

b.    De bouwhoogte van torensilo�s mag niet meer bedragen dan 12 m.

c.     De bouwhoogte van mestsilo�s mag niet meer bedragen dan 6 m.

d.    De bouwhoogte van sleufsilo�s mag niet meer bedragen dan 2m.

e.    De bouwhoogte van verlichtings- en antennemasten mag niet meer bedragen dan 12 m.

f.     De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.

3.3       Ontheffing van de bouwregels

3.3.1 Sleufsilo�s

Als uitgangspunt geldt dat sleufsilo's binnen het agrarisch bouwvlak moeten worden gesitueerd. Buiten het agrarisch bouwvlak zijn sleufsilo's in beginsel toelaatbaar tot een hoogte van maximaal 1,50 m1 en een bebouwingsoppervlak van ten hoogste 500 m�, mits deze worden gesitueerd in een strook van 100 m1 aan weerszijden of aan de achterzijde van het bestemmingsvlak van de medebestemming Agrarische bedrijfsdoeleinden, voor zover gelegen binnen de bestemmingen Agrarisch gebied, Agrarisch gebied met landschappelijke, cultuurhistorische en/of abiotische waarden, of Agrarisch gebied met natuurwaarde. Het bepaalde in artikel 3.3.5 dient alsdan  overeenkomstig toegepast te worden.

3.3.2 Verplaatsing van kleine gebouwtjes ten gevolge van landinrichtingsplan

Burgemeester en wethouders kunnen op de gronden met de bestemming Agrarisch met waarden ontheffing verlenen voor de bouw van kleine gebouwtjes, zoals schuilgelegenheden voor vee, mits:

a.    het betreft gebouwtjes die moeten worden verplaatst in het kader van de uitvoering van het Landinrichtingsplan, zoals onherroepelijk door Gedeputeerde Staten op 28 oktober 1986;

b.    er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van bestaande natuur- en landschapswaarden;

c.    de maximale omvang van het bouwwerk 25 m2 bedraagt en de maximale hoogte 3 m;

d.    het bepaalde in artikel 3.3.5 alsdan overeenkomstig wordt toegepast.

3.3.3 Agrarische hulpgebouwen

Melkstallen, schuilgelegenheden voor vee, en andere agrarische hulpgebouwen ten behoeve van een als zodanig bestemd agrarisch bedrijf zijn - binnen de bestemming Agrarisch gebied waarden - buiten het agrarisch bouwvlak in beginsel toelaatbaar tot een maximum bebouwingsoppervlak van 75 m� en een maximum hoogte van 2,5 m. Het bepaalde in artikel 3.3.5 dient alsdan overeenkomstig toegepast te worden.

3.3.4 Eerste/tweede agrarische bedrijfswoning

De bouw van een eerste bedrijfswoning, respectievelijk tweede bedrijfswoning bij agrarische bedrijven, is toegelaten indien:

a.    het bedrijf zonder een eerste, respectievelijk tweede agrarische bedrijfswoning redelijkerwijs op langere termijn niet is te exploiteren;

b.    het bedrijf ��n, respectievelijk twee volwaardige arbeidskracht(en) heeft;

c.    de continu�teit van het bedrijf op langere termijn gewaarborgd is;

d.    het bepaalde in artikel 3.2 met betrekking tot de maatvoering van een bedrijfswoning is alsdan van overeenkomstige toepassing;

e.    het bepaalde in artikel 3.3.5 alsdan overeenkomstig wordt toegepast.

3.3.5 Algemene toetsingscriteria

De in dit artikel geboden bebouwingsmogelijkheden zullen in de regel toereikend zijn voor een normale agrarische bedrijfsvoering. Aan de genoemde bijzondere vormen van agrarische bebouwing zal slechts dan door middel van ontheffing of wijziging medewerking worden verleend, indien:

a.    zij uit een oogpunt van doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk zijn;

b.    daardoor de bestaande natuurlijke, abiotische, cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast.

3.3.7 Openbare nutsvoorzieningen

Openbare nutsvoorzieningen in de vorm van gasontvang- en reduceerstations en trafo's zijn tot een maximale bebouwingsoppervlak van 20 m2 en een maximale goothoogte van 3 m toelaatbaar, mits:

a.    de bebouwing in landschappelijk opzicht zorgvuldig wordt ingepast;

b.    de aanwezige natuurlijke, landschappelijke, cultuurhistorische en abiotische waarden niet onevenredig worden aangetast.

3.3.8 Bouwen kleinere afstand tot de weg

De bouw van bouwwerken op een kleinere afstand dan 60 m, respectievelijk 30 m, respectievelijk 25 m tot aan de as van de weg is in beginsel niet toelaatbaar, tenzij hierdoor de verkeersveiligheid en de stedenbouwkundige kwaliteit niet worden aangetast en de bouwwerken op een zorgvuldige wijze landschappelijk worden ingepast.

3.4        Specifieke gebruiksregels

3.4.1 Aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven

Binnen deze bestemming is uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de bedrijfswoning, warbij de volgend bepalingen van toepassing zijn:

a.    De omvang van de activiteiten mag niet meer bedragen dan 30% van de gezamenlijke oppervlakte van de bebouwing van de bedrijfswoning en/of bijgebouwen tot een maximum van 50 m2.

b.    De activiteit mag geen onevenredige beperking opleven voor de bedrijfsvoering en bedrijfsontwikkeling van omliggende agrarische bedrijven.

c.    Het gebruik mag geen nadelige gevolgen hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken.

d.    Detailhandel is niet toegestaan.

e.    De activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.

3.5       Wijzigingsbevoegdheid

3.5.1 Vormverandering 

Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen ten behoeve van de vormverandering van het bouwvlak, waarbij voldaan moet worden aan de volgende voorwaarden:

a.    De totale oppervlakte van het bouwvlak mag niet worden vergroot.

b.    De vormverandering dient noodzakelijk te zijn voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering en/of �ontwikkeling van een re�el bedrijf.

c.    Er mag geen sprake zijn van milieuhygi�nische belemmeringen.

d.    Vooraf wordt advies ingewonnen bij de AAB te Tilburg.

e.    De bovenstaande landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.

3.5.2 Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming op onderdelen wijzigen ten behoeve van vergroting en/of vormverandering van een bouwvlak, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a.    agrarische bouwvlakken, gelegen in of nabij een "ecologische verbindingszone" mogen worden vergroot, mits het functioneren van de verbindingszone niet onevenredig wordt aangetast;

b.    de vergroting en/of vormverandering dient noodzakelijk te zijn uit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en/of �ontwikkeling waaronder begrepen het kunnen plaatsen van permanente teeltondersteundende voorzieningen op het agrarisch bouwvlak;

c.    de vergroting van het agrarisch bouwvlak kan binnen de gebiedsaanduiding verwevingsgebied kan enkel ten behoeve van dierenwelzijn worden toegestaan; uitzondering hierop vormt de intensieve veehouderij of de intensieve veehouderijtak binnen de combinatiebedrijven gelegen op een �duurzame locatie� (zie begripsbepaling), hier kan vergroting tot maximaal 2,5 ha worden toegestaan;

d.    Over ten minste het bepaalde in sub b wordt vooraf advies ingewonnen van de AAB te Tilburg.


 

3           Algemene regels

Artikel 4          anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 5          algemene bouwregels

         5.1 Maatvoering

In die gevallen dat de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud, horizontale dan wel verticale diepte en/of de afstand tot enige aanduiding van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand zijn gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze planregels is voorgeschreven  respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud, horizontale dan wel verticale diepte en/of de afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.

Artikel 6          algemene gebruiksregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden tevens de volgende regels:

a.    Het gebruik en laten gebruiken van aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen bij een woning als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte is niet toegestaan.

b.    De bewoning van vrijstaande bijgebouwen is niet toegestaan.

Artikel 7          algemene aanduidingsregels

De gronden met de gebiedsaanduiding "Reconstructiewetzone � Landbouwontwikkelingsgebied� zijn bedoeld voor het weergeven van de Landbouwontwikkelingsgebieden, zoals bedoeld in de Reconstructiewet.

Artikel 8          algemene ontheffingsregels

Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:

a.    de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages. Deze ontheffing is niet van toepassing op woningen, bedrijfswoningen en recreatiewoningen.

b.    De bestemmingsregels en toestaan dat bestemmingsgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daar aanleiding toe geeft.

c.     De bestemmingsregels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachtgebouwtjes ten behoeve van openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, mits:

1.    De oppervlakte per gebouwtje niet meer dan 20 m2 zal bedragen.

2.    De bebouwingshoogte niet meer dan 3,5 meter zal bedragen.

d.    De bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot:

1.    Ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 20 m.

2.    Ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot maximaal 10 m.

e.    De onder a tot en met d genoemde ontheffingen kunnen uitsluitend verleend worden mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

1.    Een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;

2.    de verkeersveiligheid;

3.    de sociale veiligheid;

4.    de milieusituatie; en

5.    de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

 

 


 

4           Overgangs- en slotregels

Artikel 9          overgangsrecht

9.1       Overgangsrecht bouwwerken

a.          Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar de aard en omvang niet wordt vergroot,

1.    gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2.    na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;

b.          Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig ontheffing verlenen van het eerste lid onder a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;

c.           Het eerste lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

9.2       Overgangsrecht gebruik

a.          Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;

b.          Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;

c.           Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;

d.          Het bepaalde in het eerste lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

 

Artikel 10        slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

 

 

Regels van het bestemmingsplan �Parti�le herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 1997, Logtenburg 16a, Sint Oedenrode�

 

 

Vastgesteld in de openbare vergadering

van de raad van ��������.

 

 

de griffier,                               de voorzitter,